Selecteer een pagina

English: scroll down

Ochtendcomfort en zoute lippen

​De dag begint met onverwachte luxe: een douche met voldoende waterdruk, warm water en doortrekkende toiletten met een bril. Maar zodra ik naar buiten stap, merk ik dat mijn lippen direct zout smaken. Het voelt precies alsof ik aan zee ben; de woestijn is hier doordrenkt van het zout. Na een voedzaam ontbijtbuffet met verse eitjes maken we ons klaar voor een wandeling naar de dadelpalmgaard.

Gids laat plant zien
Irrigatie slangen
Prajjwal laat iets zien

Op blote voeten door de boomgaard

​Onderweg zet Prajjwal zijn schoenen simpelweg in de berm. We lopen uiteindelijk toch allemaal op blote voeten door het mulle zand. Hij vertelt me dat hij wel vaker dingen even ergens neerlegt als hij gaat hiken als ornitoloog (vogeldeskundige). En dan ligt het er altijd nog. Alleen hij vergeet het wel eens op te pakken en dan moet hij helemaal weer terug, zegt hij lachend. Alles is hier zand: de weg, de berm en de akkers. Het is louter dankzij irrigatie dat er überhaupt iets kan groeien; overal slingeren zwarte waterslangen door de velden. Ik vraag me hardop af of hier nog ergens een natuurlijke oase is, maar onze gids vertelt dat die al lang is opgedroogd. Tussen de palmen door zien we verrassend veel groenten: maïs dat als wind- en zandafscheiding fungeert, velden vol watermeloenen, pepers en vijgenstruiken. De gids wijst ons ook op een plant waaruit stoffen worden gewonnen die traditioneel helpen bij hartklachten.

Prajjwal laat reptiel zien
Omheining

Geitenzakken en zoet water

​De landeigenaar vertelt trots over de traditionele geitenzak: een waterzak gemaakt van geitenhuid waarin drinkwater opvallend koel blijft. Hij maakt lachend een grap dat hij zowel zijn geit als zijn eigen haar kamt, waarna hij zijn muts afzet en morsdood kaal blijkt te zijn, zijn harde schaterlach galmt over het zand. Hij legt uit dat de dadels die van de oude bomen geplukt worden de oogst van vorig jaar zijn; van de minder zoete soorten koken ze een rijke siroop. De commerciële bomen worden jaarlijks geoogst. Een stuk verderop zien we een triest gezicht: een veld met palmen die langzaam afsterven. Het is er te nat geworden waardoor de wortels zijn gaan rotten, en het zoute grondwater doet de rest. Dadelpalmen hebben immers zoet water nodig om te gedijen.

Sandra bij een palm

De eenzame wachter en de taal van worteling

​Even later sta ik met mijn rug tegen een eeuwenoude palm. Waar de olijfboom me eerder een levendig, bijna opgewekt verhaal bracht, voelt het contact met deze boom heel anders: zwaar, stil en doordrenkt van een diep verdriet. Ik zie een kale, steile bergwand vol geërodeerde lagen, alsof alles wat zacht en voedend was door de tijd is weggesleten tot er alleen nog kaal gesteente overblijft. Daar doorheen schemert een karavaan met kamelen en mensen door het zand, een echo van een voorbije tijd. Onze gids Sami vertelt dat de palm hier al honderden jaren staat, ooit als scheut meegenomen uit Algerije door de voorouders van de landeigenaar, en dat hij hier al generaties overleeft zonder dat iemand hem water geeft. Hoewel hij omringd wordt door strakke rijen monocultuur, staat deze ontwortelde migrant volkomen geïsoleerd in de menigte. Hij laat me zien hoe eenzaam overleven kan zijn wanneer de verbinding met het grotere geheel is doorgesneden, maar toont tegelijkertijd de rauwe kracht van het land: je hoeft niet verzorgd te worden om overeind te blijven als je diep genoeg geworteld bent in wie je bent.

Groep bij palmbomen

Een glijbaan uit de palm

​Even later zorgt een neef van de gids voor vermaak. Behendig klimt hij hoog in een palm en glijdt vervolgens soepel langs de takken omlaag alsof het een glijbaan is. Hij vertelt dat hij dolgraag naar Duitsland wil; hij heeft al ijverig geoefend en we raken aan de praat in een mengelmoes van steenkolen-Duits en Frans. We lopen verder langs grazende schapen en geiten, waar de vrouwen uit de gemeenschap voor zorgen.

Hoog in de palmboom
Geiten

Oude dadelbomen en water per quad

​Uiteindelijk bereiken we de oudste dadelpalmgaarden. Deze bomen zijn door de decennia heen zo diep onder het stuifzand komen te liggen dat de kruinen nog maar net boven de duinen uitsteken. “Wel makkelijk plukken zo,” merk ik op. De gids knikt instemmend. De dadels van deze oude reuzen zijn heerlijk en hebben een stevigere, hardere schil. Inmiddels brandt de zon fel aan de hemel. Ik wikkel mijn sjaal om en controleer of mijn hoed goed blijft zitten. Omdat verschillende groepsgenoten geen water meer hebben, scheurt de neef met een quad af en aan om flessen water te brengen. Op de terugweg vindt Stefan van 7 jaar een mooi tak om een ritme te maken. Zijn moeder Jane moet van hem meedoen. Ze zet haar prachtige zangstem in en zingt een melodie die ons in de felle zon terug naar het basiskamp leidt. Terug bij de berm pakt Prajjwal zijn achtergelaten schoenen weer op en eenmaal bij het basiskamp lessen we onder een luifel onze dorst door liters water weg te drinken.

​Het verbroken mycelium

​Terwijl we bijkomen in de schaduw, vang ik flarden op van een gesprek over mycelium. Het ondergrondse schimmelnetwerk dat bomen en planten normaal gesproken met elkaar laat communiceren en voedingsstoffen laat delen. Ineens valt het kwartje over de eenzame palm van vanmorgen. Hij is niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk ontworteld. In een evenwichtig ecosysteem zou hij via dat schimmelweb in verbinding staan met zijn omgeving. Maar hier, omringd door intensieve monocultuur waar de bodemstructuur is verstoord, zijn die ondergrondse levenslijnen doorgesneden. De palm staat te midden van honderden bomen, maar moet zijn wortels in bittere eenzaamheid de diepte in boren om bij water te komen.

Tunesische gastvrijheid voor het vertrek

Dan wacht ons opnieuw een verrukkelijke lunch: malse kippenpoten, geurige couscous, knapperige briks (eierloempia’s) en verse salades. Op tafel staat natuurlijk het vertrouwde schaaltje met pittige harissa, tonijn en olijfolie om het verse brood in te dopen. Na het eten maakt de groep zich op voor vertrek. De groep gaat lopen met de kamelen, maar de Nederlandse vrouwen mogen met de auto; een voettocht van twee uur bij 35 graden door het rulle zand zien we niet zitten. Het blijkt nog anders te lopen….

​Achtbaan door de duinen

We stappen in een terreinwagen die zo hoog op zijn wielen staat dat we naar binnen moeten klauteren. Onze begeleider Tallel neemt dapper plaats bovenop de bagage in de open laadbak. Mieke geeft hem haar hoed. De chauffeur blijkt midden in de woestijn te wonen en stuurt de 4×4 met een vanzelfsprekend gemak over de duinkammen. We worden alle kanten op geschud. Als ik in het Frans opmerk dat de weg er waarschijnlijk elke dag anders uitziet, lacht hij breed: “Oui, les dunes!” De wagen duikt steil omlaag en klimt steil omhoog over bandensporen van eerdere doorkruisers. Net wanneer ik denk: wie laat er nu al die troep achter in de woestijn?, zie ik dat het onze eigen kampeerspullen zijn die al gebracht zijn met een eerdere rit.

Gedropt in de woestijn

Race tegen het onweer

​Bij de overnachtingsplek aangekomen blijft Tallel bij ons waken. Vier vrouwen alleen in de woestijn achterlaten is voor hem ondenkbaar. Zodra de kok per quad arriveert, rijdt Tallel achterop mee terug. Ondertussen trekt de lucht angstaanjagend snel dicht en horen we in de verte donder rollen. Samen met de kok beginnen we als Nederlandse kampeervrouwen in allerijl de grote bedoeïenentent op te zetten. Met de naderende bliksemflitsen voelt het als een race tegen de klok. Een bedoeïenentent vraagt echter een heel andere techniek; prompt monteren we de stokken verkeerd om. Na een snelle correctie weten we het gevaarte overeind te trekken en scheppen we haastig zand op de flappen om het doek te verankeren, want tentharingen kennen ze hier niet. Precies op het moment dat de eerste dikke druppels vallen, tillen we alle tassen en slaapmatjes naar binnen en barst het noodweer los. Buiten adem delen de kok en ik een uitzinnige high five, we zijn dikke vrienden geworden zonder een woord van elkaars taal te spreken.

Binnenkant van de tent
Bedoeïenentent

Kamelen in het avondgoud

​Als de bui wegtrekt, klaart de lucht op. Aan de horizon zie ik de karavaan met onze wandelende reisgenoten naderen, kletsnat maar voldaan na de ontberingen van het onweer. 

Kamelen komen aan

Er ontstaat even een gezellige chaos: iedereen zoekt droge kleren en de overige tenten moeten worden opgezet, waarbij de stokken van de andere twee tenten niet blijken te passen. Terwijl iedereen uiteindelijk een slaapplek heeft gevonden, zakt de zon weg en tekenen de elegante silhouetten van de kamelen zich scherp af tegen een gloeiende, goudoranje hemel.

Tent opzetten
Hout halen
Kameel
Kamelen in de nacht

Overlevers van het zand: R’tem en Arta

​In de schijnbaar eindeloze leegte rondom ons kamp vallen twee taaie struiken op die dapper standhouden tussen de zandkorrels. Het zijn de Retama raetam (de witte woestijnbrem of R’tem) en de Calligonum comosum (Arta). De fijne twijgen van de R’tem weten het stuifzand feilloos vast te houden, en hoewel giftig voor consumptie, worden aftreksels traditioneel gebruikt voor wondverzorging. De Arta, met zijn groene gelede scheuten, vormt juist een belangrijke voedingsbron voor kamelen en dient als natuurlijke remedie bij maagklachten. ’s Avonds bewijzen ze hun grootste praktische nut: hun dichte, droge hout vormt het ideale kampvuurhout dat langdurig gloeit zonder hinderlijke rook. Én om kleding op te drogen.

​Zandbrood en trommels onder de sterren

​Omdat een deel van de dekens en matrasjes nat is geregend, spannen we ze rondom het knisperende vuur om te drogen. Kareem, onze dj, draait opzwepende muziek en al dansend wapperen de jongelui de dekens droog. De kok bereidt een dampende pan macaroni met vlees en kruidige tomatensaus, terwijl een wijze oude man deeg kneed en het vakkundig gerolde brood legt hij tussen de hete, smeulende as van het sprokkelhout. Het resultaat is verbluffend: heerlijk knapperig zandbrood.

Deeg kneden
Brood laten zien

Rond 21.00 uur genieten we van de maaltijd, waarna ik rozig op mijn matje ga liggen in onze vakkundig opgezette tent. Buiten klinkt het feest nog lang door met trommels, fluiten en gezang van de mannen. Vriendelijk brengt iemand zelfs nog schijven verse watermeloen naar onze tent. Liggend op mijn matje voel ik het overal: zand in mijn oren, tussen mijn tanden en in elke naad van mijn kleren. Morgen hoop ik van harte op een douche voordat we de bus instappen, maar voor nu wiegt het ritme van de woestijn me zachtjes in slaap.

* – * – *

This is the English version of this article:

​Sand, Salt, and a Race Against Thunder in the Sahara

Morning Comfort and Salty Lips

The day begins with unexpected luxury: a shower with plenty of water pressure, hot water, and flushing toilets with proper seats. But the moment I step outside, I notice my lips instantly taste salty. It feels just like being by the sea; the desert here is completely steeped in salt. After a nourishing breakfast buffet with freshly cooked eggs, we get ready for a walk to the date palm grove.

Barefoot Through the Grove

Along the way, Prajjwal simply leaves his shoes on the roadside verge. In the end, we are all walking barefoot through the soft, loose sand anyway. He tells me that as an ornithologist (bird expert), he often sets things down while out hiking. They are always still there when he returns. It is just that he occasionally forgets to pick them up again and has to walk all the way back, he adds with a laugh. Everything here is sand: the road, the verge, and the cultivated fields. It is purely thanks to irrigation that anything can grow at all; black irrigation hoses wind everywhere across the plots. I wonder aloud whether there is still a natural oasis around here, but our guide explains that it dried up long ago. Between the palms, we see a surprising variety of crops: maize acting as a windbreak and sand barrier, fields brimming with watermelons, peppers, and fig bushes. The guide also points out a plant from which substances are traditionally extracted to treat heart ailments.

Goatskin Bags and Sweet Water

The landowner proudly shows us the traditional goatskin water bag: a vessel crafted from goat hide that keeps drinking water remarkably cool. He chuckles and jokes that he combs both his goat and his own hair, before pulling off his cap to reveal a completely bald head; his booming laughter rings out across the sand. He explains that the dates gathered from the ancient trees are from last year’s harvest; a rich syrup is brewed from the less sweet varieties. The commercial trees, by contrast, are harvested annually. A little further along, we encounter a sorrowful sight: a grove of palms slowly dying off. The soil has become far too waterlogged, causing the roots to rot, and the saline groundwater does the rest. After all, date palms require sweet, fresh water to truly thrive.

The Solitary Sentinel and the Language of Rootedness

A little later, I stand with my back resting against an ancient palm. Where the olive tree had earlier offered me a lively, almost cheerful narrative, connecting with this tree feels entirely different: heavy, quiet, and drenched in a profound sorrow. I see a sheer, barren mountainside carved with eroded layers, as though everything soft and nourishing has been scoured away over centuries until only bare stone remains. Drifting through that vision is a caravan of camels and travellers walking across the sand, an echo of a bygone era. Our guide, Sami, tells us that this palm has stood here for hundreds of years, originally brought over from Algeria as a sapling by the landowner’s ancestors, and that it has survived here for generations without anyone ever watering it. Though encircled by tidy rows of monoculture, this uprooted migrant stands utterly isolated amid the crowd. It shows me how lonely survival can be when the bond with the wider whole is severed, yet it simultaneously embodies the raw strength of the land: you do not need to be cared for to remain standing, provided you are rooted deeply enough in who you are.

Sliding Down from the Palm

Moments later, the guide’s nephew provides some lighthearted entertainment. Nimble as can be, he scurries high up into a palm tree and glides smoothly down along the branches as if it were a playground slide. He shares that he longs to move to Germany; he has already been diligently practising his German, and we strike up a conversation in a blend of broken German and French. We walk on past grazing sheep and goats, tended to by the women of the community.

Ancient Date Palms and Water Deliveries by Quad

Eventually, we reach the oldest date palm groves. Over the decades, these trees have been buried so deeply beneath drifting dunes that their crowns barely poke out above the sand. “At least that makes harvesting easy,” I remark. The guide nods in agreement. The dates from these venerable giants are exquisite, with a firmer, tougher skin. Meanwhile, the sun has grown fierce overhead. I wrap my scarf around myself and make sure my hat and scarf keep me well protected. Because several members of our group have run out of water, the nephew zips back and forth on a quad bike delivering fresh bottles. On the way back, seven-year-old Stefan finds a lovely branch to tap out a rhythm. He insists that his mother, Jane, join in. She begins to sing with her magnificent voice, carrying a melody that guides us under the blazing sun all the way back to the base camp. Back at the roadside verge, Prajjwal retrieves his abandoned shoes, and once at the camp, we seek shade beneath a canvas awning and quench our thirst, gulping down litres of water.

The Severed Mycelium

As we recover in the shade, I catch snippets of a conversation about mycelium: the underground fungal network that typically allows trees and plants to communicate and share vital nutrients. Suddenly, the puzzle pieces fall into place regarding the lonely palm from this morning. It is not merely metaphorically uprooted, but literally so. In a balanced ecosystem, it would be intimately linked to its surroundings through that fungal web. But here, enclosed by intensive monoculture where the soil structure has been degraded, those subterranean lifelines have been cut. The palm stands surrounded by hundreds of trees, yet it must drill its roots deep down into the depths in solitary isolation just to reach moisture.

Tunisian Hospitality Before Departure

Soon another mouthwatering lunch awaits us: tender chicken drumsticks, fragrant couscous, crispy briks (stuffed egg pastries), and fresh salads. On the table sits the familiar small dish of spicy harissa, tuna, and olive oil for dipping warm bread. After the meal, the group prepares to set off. Most of the party will walk alongside the camels, but we Dutch women are offered a ride in the vehicle; a two-hour trek through loose sand in 35-degree heat is not something we relish. As it turns out, things unfold quite differently.

A Rollercoaster Through the Dunes

We climb into an all-terrain vehicle perched so high on its wheels that getting in feels like an ascent. Our guide, Tallel, bravely perches atop the luggage in the open truck bed. Mieke hands him her sun hat. The driver, who lives right in the desert, steers the 4×4 across the dune ridges with natural ease. We are tossed about in every direction. When I comment in French that the road must look different every single day, he grins broadly: “Oui, les dunes!” The truck plunges steeply downhill and charges straight up the banks, following the tyre tracks of previous adventurers. Just as I catch myself wondering who on earth left all this clutter behind in the desert, I realise it is our own camping gear, hauled out in an earlier run.

Racing Against the Storm

Upon arriving at our overnight spot, Tallel stays behind to watch over us. Leaving four women alone in the desert is entirely out of the question for him. As soon as the cook arrives on a quad, Tallel hops on the back to head home. In the meantime, the sky darkens with alarming speed, and we hear thunder rumbling ominously in the distance. Pitching in alongside the cook, we Dutch camping women leap into action to erect the massive Bedouin tent. With lightning flashing ever closer, it turns into a frantic race against the clock. A Bedouin tent, however, demands a completely unfamiliar technique; sure enough, we assemble the poles the wrong way around. After a quick correction, we manage to haul the structure upright and feverishly shovel sand onto the bottom flaps to anchor the canvas, as tent pegs simply do not exist out here. Just as the first heavy raindrops begin to fall, we haul all the bags and sleeping mats inside, and the tempest breaks loose. Out of breath, the cook and I share a triumphant high five; we have become fast friends without understanding a single word of each other’s language.

Camels in the Evening Glow

Once the storm rolls past, the sky clears. On the horizon, I see the caravan of our walking companions approaching, soaked to the bone but triumphant after braving the weather. A flurry of cheerful chaos ensues: everyone rummages for dry clothes while the remaining tents are put up, during which the poles for the other two Bedouin tents turn out not to fit. Eventually, everyone settles into a place to sleep. The sun dips below the horizon, casting the graceful silhouettes of the camels in sharp relief against a radiant, golden-orange sky.

Survivors of the Sand: R’tem and Arta

In the seemingly boundless emptiness surrounding our campsite, two hardy shrubs stand out, braving the blowing sand grains. They are Retama raetam (the white desert broom, or R’tem) and Calligonum comosum (Arta). The slender, broom-like twigs of the R’tem are remarkably adept at catching and anchoring shifting sand, and although toxic to ingest, infusions made from it are traditionally applied to treat wounds and skin ailments. The Arta, with its green, jointed stems, serves as nutritious fodder for camels and is used as a herbal remedy for stomach complaints. In the evening, both reveal their greatest practical gift: their dense, dry wood provides prime fuel for campfires, burning steadily with glowing embers and virtually no smoke. It also proves ideal for hanging damp clothes to dry.

Sand Bread and Drums Beneath the Stars

Because several blankets and mats were caught in the rain, we stretch them out around the crackling fire to dry. Kareem, our DJ, puts on upbeat music, and the younger crowd merrily dances while flapping the blankets dry in the breeze. The cook simmers a steaming pot of macaroni with meat and a rich, spiced tomato sauce, while a wise elder kneads dough and places the artfully rolled loaf directly between the glowing embers of gathered brushwood. The result is pure culinary magic: delightfully crusty sand bread.

Around 9:00 PM, we sit down to enjoy the feast, after which I retreat, pleasantly drowsy, to lie on my mat inside our expertly assembled tent. Outside, the celebrations continue well into the night with drums, flutes, and the soulful singing of the men. Someone even brings sweet slices of fresh watermelon right to our tent door. Resting on my mat, I find sand everywhere: in my ears, between my teeth, and woven into every seam of my clothes. Tomorrow, I truly hope for a warm shower before boarding the bus, but for tonight, the quiet, grounding power of the desert gently lulls me to sleep.

Expeditie Regeneratie Impact Fair 2025

Expeditie Regeneratie Impact Fair 2025

Vlog: Expeditie Regeneratie Impact Fair 2025 Vlog: Expeditie Regeneratie Impact Fair 2025 Zo voelt het als je werkt mét in plaats van tegen de natuur Tijdens de Expeditie Regeneratie Impact Fair 2025 gingen negen organisaties met elkaar op pad om met de bezoekers te...