English: scroll down
Als de wekker gaat schrik ik wakker. Het is een fijne gewaarwording dat ik in deze bijzondere slaapkamer van de jaren dertig woning lig. Ik ben in het huis van Walter Nonnekes, een pionier in de regio Veenkoloniën in de provincie Groningen. De slaapkamer doet denken aan een Jane Austen kamer, volgens mijn dochter als ik de foto deel.
Op het programma staat eerst drie documenten lezen die Walter mij gegeven heeft om feedback op te geven. Daarna gaan we naar het Veenkoloniaal museum in Veendam en vervolgens neemt hij me mee door de regio. Walter is gepensioneerd, maar geenszins gestopt met werken of plannen smeden. Zo heeft hij de stichting Bekoorlijk Groningen opgericht, dat als missie heeft zich in te zetten voor de ontwikkeling van bekoorlijke, veerkrachtige en toekomstbestendige gebieden. Hij wil dat het landschap ons weer bekoort, zodat we ons er thuis voelen en ons weer inzetten voor onze omgeving. Hij is op zoek naar een boerenerf om een herbestemming aan te geven: een ecodorp realiseren bij een boer, wat hij noemt het ‘Nieuwe Groningse Erf’.
Hij kwam erachter dat er eigenlijk geen tegengewicht is voor de beleidsvorming bij overheden. Inwoners kunnen een vinkje zetten bij de verkiezingen, maar dat is het dan. Of een actiegroep oprichten. Maar echt in co-creatie gezamenlijke oplossingen bedenken voor de gezonde leefomgeving is er niet bij. Daarvoor zou een Ecologische bond zoals een vakbond, maar dan voor de leefomgeving, een oplossing zijn.
Turfgeschiedenis, welvaart en vergane glorie
Na een ontbijt met heerlijk versgebakken broodjes en zelfgemaakte druivenjam gaan we naar het Veenkoloniaal museum. In het Veenkoloniaal museum is het me snel duidelijk: in deze regio is keihard gewerkt. Er is in driehonderd jaar maar liefst tot twaalf meter turf afgegraven op een oppervlakte van 80.000 hectare. Dit is allemaal handwerk geweest. En dan heb ik het nog niet over de vele kanalen die gegraven zijn met schop en kruiwagen, om al de turf af te voeren per schip. Wat dit gebied onderscheidt van andere veengebieden, is dat er redelijk laat is begonnen met graven en dat het zo enorm groot is.
Ik heb een speciale band met de Nederlandse turfgeschiedenis: mijn overgrootouders waren turfstekers en mijn grootouders hadden een turfschip om de turf af te voeren. Mijn vader is geboren op een turfschip. Dus je kunt je voorstellen dat ik het erg leuk vond om het turfschip bij het museum van binnen te bekijken. Het viel me op hoe klein de roef (het huiskamertje) was en er waren twee bedstedes. Ook achter in het schip was nog een kamertje met een bedstee waar je gebukt heen kon lopen.
In tegenstelling tot veel internationale vaart, gingen in de Nederlandse turfschepen vrouw en kinderen gewoon mee. Ze voeren naar Riga, naar Duitsland, Engeland en verder. De vrouwen zagen snuisterijen of huishoudelijke artikelen die ze handig vonden en namen ze mee terug. Zo ontstond er een extra handel naast de turfhandel. Een museummedewerker wijst ons op de kaart die er hangt en hij vertelt over de verschillende regio’s in de omgeving waar nog meer turf is afgestoken.
Dat de internationale handel het dorp Veendam geen windeieren heeft gelegd, blijkt uit de film uit 1923 waarin ze vertellen wat er allemaal voor detailhandel was in de winkelstraat. Comestibles (delicatessen), een leerhandel, bijzondere Parijse en Rigaanse mode, een automobielhandel en een fietsen- en naaimachinehandel. Ook was er een herensociëteit in een prachtig houten pand met een veranda ervoor. Dat was niet het enige dat ervoor zat, er was zelfs een paardenrenbaan. De heren van Veendam hadden het goed geregeld, maar ook de vrouwen konden er hun weg wel vinden. Of ze nu in het net aangelegde park flaneerden met hun net aangekochte Parijse outfit of dat ze hun man smeekten om een auto, het was om het even. Het kon allemaal.
Onder: een maquette die weergeeft hoe het landschap eruitzag toen de turf gedeeltelijk was afgegraven.
Tenminste, voor de handelaren en industriëlen, maar voor de turfstekers was het andere koek. Zij hadden het redelijk goed, tot in de jaren veertig van de vorige eeuw er geen vraag meer was voor turf door de opkomst van de steenkool, wat efficiënter was, goedkoper en langer het huis warm hield. Daarmee stortte de turfhandel in. Veel turfstekers, die dagloners zijn, moesten in plaggenhutten gaan wonen.
Ook een andere tak van sport naderde zijn eind: de kartonindustrie. Van stro (de steel van het graan) werd karton gemaakt en vele kartonfabrieken in de omgeving hebben jarenlang goed gedraaid. Zelfs het vierkante papiertje aan het touwtje van theezakjes is hier uitgevonden. Eén van de kartonfabrieken heette ESKA, een afkorting van spoorkaartje, omdat de kartonnen spoorkaartjes daar gemaakt werden.
Groene initiatieven en de weg van bezinning
Walter neemt me na het museum mee het land in. We rijden door kilometers lange velden met suikerbieten, aardappel en graan. Opvallend is dat er vrijwel geen andere gewassen worden geteeld. De prijzen zijn zo laag, dat de boeren geen personeel kunnen inhuren en dit zijn de enige gewassen die je makkelijk kunt kweken zonder al te veel handwerk. De aardappelen die verbouwd worden zijn geen eetbare aardappelen, ze dienen voor de fabricage van zetmeel, dat als grondstof voor veel producten wordt gebruikt. De suikerbieten gaan naar de suikerunie, die er suiker van maakt en het graan wordt voor het grootste deel ingezet als veevoer, voor een deel voor brood, meel, bier en ook zetmeel. En niet te vergeten: graanjenever, Hooghoudt is een bekend Gronings merk.
Opeens staat Walter stil met zijn auto en we stappen uit. Een onhandig trapje af en ik zie wat er is: een sluis. We steken de sluis over met een klein hoogteverschil van ongeveer één meter en we lopen door het hoge gras. Daar is een kruispunt van kanalen. Walter wijst naar de dijk langs één van de kanalen: ‘Kijk, dit is toch oersaai? Er is 20 km dijk en allemaal onbegaanbaar, met riet ernaast. Als we dit nu eens natuurlijk laten begroeien en een wandelpad maken dan is het toch voor mens én flora en fauna veel prettiger?’ Hij vertelt dat hij bij het Waterschap hierover in gesprek ging en dat na veel aanhouden, akkoord is gegaan. Walter dacht aan een kilometer dijk of zo, maar nee. ‘Dat is te klein,’ zei de man van het Waterschap Hunze en Aa’s. ‘We gaan 20 kilometer aanpakken. Dat is nog steeds maar een fractie van het aantal dijken dat we beheren.’ Dit is een mooi project voor Walter om zijn tanden in te zetten.
Walter bij het kruispunt van kanalen.
De dijk die het Waterschap wil aanpakken.
Walter bij de sluis.
De volgende stop is bij het aanvoergemaal Vennix van het waterschap Hunze en Aa. Er is een kanaal gegraven om het water van het IJsselmeer naar de Veenkoloniën te brengen om de akkers van water te voorzien. Dit kanaal heeft op verschillende punten gemalen om het water de goede kant op te pompen met een sluisdeur om het hoogteverschil te beheren.
We rijden een stuk weg van tien kilometer in het schijnbare niets. Ik zie aardappelen, graan en suikerbieten. En aardappelen, graan en suikerbieten. Maar geen bomen, geen vogels, geen huizen. Walter is opvallend stil.
Boven: Het aanvoergemaal Vennix
Ik probeer nog wat opmerkingen te maken maar het is een ellenlange weg. Aan het einde van de tien kilometer vertelt Walter wat deze weg voor hem betekent. Hij wil deze weg onderdeel laten zijn van de Groningse camino voor bezinningstoerisme. Als je deze weg loopt, is het als een meditatie, misschien zelfs wel een uitputtingsslag om het einde te bereiken. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Ik herken dat wel, hoewel we nu deze weg met de auto aflegden (gelukkig). Op de terugweg zien we toch nog een zwaluw en een reiger, maar verder is er geen leven of biodiversiteit te bekennen door al het bespuiten van alle gewassen in de omgeving. Geen vis in het water en geen libelle op het riet. Überhaupt geen riet.
Tussen bosrijk erfgoed en het verdwijnen van de heide
Dan komen we in Ter Apel bij Museum Klooster Ter Apel. Opvallend is de verandering in het landschap, waar er eerder uitgestrekte vlakten met gewassen waren, zijn we nu in een bosrijk gebied. Eerst genieten we van een heerlijke lunch bij het naastgelegen hotel Boschhuis op het terras met uitzicht op het prachtige kloostergebouw en daarna gaan we naar binnen. Toevallig is er een tentoonstelling van een bekende Groningse schilder Henk Helmantel, waar
Walter een fan van is. We genieten van zijn prachtige schilderijen terwijl we het klooster uit 1495 van binnen bekijken. Er zijn nog middeleeuwse schilderingen en mooie houtsnijwerken in de banken. Wat kenmerkend is voor Groningen is dat er ooit vele kloosters stonden. Nu kun je nog de kloosterwandeling of fietstocht doen, maar de kloosters zijn geen van allen nog operationeel. De Groningse bevolking is vooral Protestants of niets.
Na deze ervaring rijden we door naar Sellingen, waar een prachtig stuk groen ons wacht. Ik geniet van deze omgeving, bomen, mooie boerderijen, een kronkelweggetje en tuinen met veel bloemen om de boerderijen heen. Zo zou heel Nederland moeten wonen, besluiten we. Maar dan niet allemaal zo’n groot huis, misschien in stukjes ingedeeld, peins ik nog verder als Walter me alweer meeneemt naar een volgende plek.
Dit keer lopen we de hei op. Maar ik zie dat er vrijwel geen heide meer is.
Walter legt het dilemma uit over wolf of heide. Door de terugkomst van de wolf in het Nederlandse landschap wil geen enkele schaapsherder zijn schapen nog laten grazen op de heide. Dit heeft tot gevolg dat het gras het overneemt en er steeds meer zaailingen van bomen opkomen. Ik heb de laatste paar heidestruikjes op de foto kunnen zetten, maar de paarse vlaktes in voorjaar of herfst zijn verleden tijd. Dat doet me beseffen dat we eigenlijk geen weet hebben van de gevolgen van een ogenschijnlijk kleine verandering: de komst van de wolf zorgt ervoor dat zowel schapen niet meer grazen en de heide verdwijnt. Wat voor gevolgen heeft dit nog meer? En wat voor gevolgen heeft al dat gif dat de boeren over hun land spuiten? Dat kunnen we ook nog niet helemaal overzien. Alleen al de bloemranden langs de akkers zorgen ervoor dat de bijen en andere bestuivers sterven als ze van bloem naar bloem gaan.
Waarom verandering bekoort in de Veenkoloniën
In de auto hebben we het over waarom boeren niet veranderen van gewas als het zo weinig opbrengt. Walter legt uit dat de boeren niet zomaar kunnen kiezen: andere gewassen zijn te bewerkelijk en er is strenge regelgeving over hoeveel mest, hoeveel beplanting, hoe vaak er aardappelen op een stuk grond mogen staan en dus kan een boer niet zomaar switchen naar een ander gewas. Dat is ook niet zo makkelijk. Een boer Menko (Menko voedt de stad) uit de omgeving was omgeschakeld op uien, peterselie en spliterwten. Helaas was de supermarktketen niet blij met de uien, want ze waren niet in nette zakjes verpakt en verschillend van grootte. De peterselie kon hij ook niet kwijt doordat het her en der gele blaadjes aan zaten. Ook zijn spliterwten kon hij niet kwijt omdat het kreukelerwten bleken te zijn en die moesten 30 minuten langer koken. De supermarktketen zei dat hun klanten dat niet wilden.
Walter verbaast zich over dat Veenkoloniërs niet trots zijn op hun gebied. Er is zoveel werk geleverd door hun voorouders en ze hebben zoveel opgebracht. Daar kan je trots op zijn en dankbaar voor. Er is niet zoiets als een identiteit of bekoring, zoals Walter het wel ervaart, dat heb ik wel gemerkt tijdens de rondrit. Dat maakt dat het idee van transitie en vernieuwing pas echt bekoort in de Veenkoloniën.
In tegenstelling tot de gebieden met landbouw, wappert in het bosrijke gebied rond Sellingen de Groningse vlag bij vrijwel elk huis. Zijn deze mensen trotser op hun gebied? Zijn ze meer tevreden?
Dit rondje Veenkoloniën laat mij zien dat hier een grote uitdaging ligt voor de toekomst: nieuwe verdienmodellen voor de boeren, land dat een nieuwe bestemming moet krijgen, de fabrieken die grotendeels al gesloten zijn zullen ook stoppen en een volk dat bijna terneergeslagen is door alle tegenslag. Wat is daaraan te doen door een pionier als Walter? Hoe kunnen we de pioniersgeest van de lokale bevolking activeren, die ze eerder hebben laten zien bij het turfsteken en omzetten naar akkerbouw? Hoe kunnen we de verbinding tussen boer en burger herstellen? Het land is van de boeren, maar het landschap is van ons allemaal.
Walter laat zien dat het niet groots hoeft te zijn: een dijk inzaaien, een boerderij een nieuwe bestemming geven en een camino-wandeling. Zijn plannen zijn concreet en veelbetekenend. Ik heb genoten van deze dag. Samen sluiten we af met avondeten en dan ga ik na een nachtje in de prachtige slaapkamer naar Erm in Drenthe bij Wim Heppe op bezoek.
,* – * – *
This is the English version of this article:
How a pioneering spirit enchants in the Veenkoloniën
When the alarm goes off, I wake with a start. It’s a lovely feeling to wake up in this remarkable 1930s bedroom. I am staying at the home of Walter Nonnekes, a pioneer in the Veenkoloniën region in the province of Groningen. According to my daughter, when I share a photo, the bedroom feels like something out of a Jane Austen novel.
First on the agenda is reading three documents that Walter handed me to provide feedback on. Afterwards, we are heading to the Veenkoloniaal Museum in Veendam, and then he will take me on a tour of the region. Walter is retired, but by no means has he stopped working or hatching plans. He founded the Bekoorlijk Groningen (Charming Groningen) foundation, which is dedicated to developing charming, resilient, and future-proof areas. He wants the landscape to enchant us once more so that we feel at home and reconnect with our surroundings. He is currently looking for a farmstead to repurpose: creating an eco-village alongside an active farm, which he calls the ‘New Groningen Farmstead’.
He realised that there is virtually no counterweight to policy-making within government bodies. Citizens can check a box during elections, but that’s where it ends—or they can form an action group. However, genuinely co-creating solutions together for a healthy living environment is absent. To address this, an ‘Ecological Union’—similar to a trade union, but for the living environment—could be the answer.
Turf history, prosperity, and bygone glory
After a breakfast of deliciously fresh baked rolls and homemade grape jam, we head to the Veenkoloniaal Museum. Inside the museum, one thing becomes clear very quickly: people worked exceptionally hard in this region. Over the course of three hundred years, up to twelve metres of peat were dug up across an area of 80,000 hectares. This was all manual labour. And that’s not to mention the countless canals dug with spades and wheelbarrows to transport all the peat by boat. What sets this area apart from other peat bogs is that digging started relatively late and spanned an enormous scale.
I share a personal connection with Dutch peat history: my great-grandparents were peat cutters, and my grandparents owned a peat barge to transport the peat. My father was actually born on a peat barge. As you can imagine, I thoroughly enjoyed exploring the inside of the museum’s peat barge. I was struck by how tiny the roef (the small living cabin) was, fitted with two box beds (bedstedes). In the stern of the boat, there was another small room with a box bed that you had to duck down to enter.
Unlike much of the international shipping trade, women and children travelled along on Dutch peat barges. They sailed to Riga, Germany, England, and beyond. The women would spot trinkets or household items they found useful and bring them back, creating a side trade alongside the peat business. A museum employee points out a map on the wall, explaining the various surrounding areas where even more peat was extracted.
That international trade brought considerable wealth to the village of Veendam is evident from a 1923 film detailing the variety of shops along its high street: comestibles (delicatessen), leather goods, exclusive Parisian and Riga fashions, a motorcar dealership, and a bicycle and sewing machine shop. There was even a gentlemen’s club in a splendid wooden building with a veranda. That wasn’t all—there was even a horse racing track! The gentlemen of Veendam had it well arranged, but the women certainly found their way too. Whether strolling through the newly landscaped park in their freshly acquired Parisian outfits or coaxing their husbands into buying a car, it made no difference. Anything was possible.
At least for the traders and industrialists—for the peat cutters, it was a very different story. They fared reasonably well until the 1940s, when demand for peat collapsed due to the rise of coal, which was more efficient, cheaper, and kept homes warm for longer. With that, the peat trade collapsed. Many peat cutters, who were day labourers, ended up living in turf hovels.
Another industry was also drawing to a close: strawboard manufacturing. Cardboard was made from straw (grain stalks), and numerous cardboard factories in the area thrived for years. Even the small square paper tag attached to tea bags was invented here. One of the cardboard factories was called ESKA—short for spoorkaartje (train ticket)—because the cardboard for railway tickets was produced there.
Green initiatives and the path of reflection
After visiting the museum, Walter takes me out into the countryside. We drive past miles of fields planted with sugar beet, potatoes, and grain. It is striking that hardly any other crops are grown. Produce prices are so low that farmers cannot afford to hire staff, and these are the only crops that can be easily cultivated without extensive manual labour. The potatoes grown here are not for consumption; they are used to produce starch, a raw material for many industrial products. The sugar beets go to the sugar refinery, and most of the grain is used as livestock feed, with a small portion going towards bread, flour, beer, and starch. And let’s not forget grain jenever—Hooghoudt is a famous Groningen brand.
Suddenly, Walter pulls over and we step out of the car. Climbing down an awkward set of steps, I see what brought us here: a lock. We cross the lock, which handles a small water level difference of about one metre, and walk through the tall grass to a junction of canals. Walter points to the dyke along one of the canals: “Look, isn’t this terribly dull? There are 20 kilometres of dyke, all impassable, flanked by reeds. If we allowed this to grow naturally and created a walking path, wouldn’t it be much more pleasant for both people and wildlife?” He explains that he approached the local Water Board about this and, after much persistence, they agreed. Walter had envisioned a kilometre or so of dyke, but no. “That’s too small,” said the representative from the Hunze en Aa’s Water Board. “We’re going to tackle all 20 kilometres. That’s still just a fraction of the dykes we manage.” It is a wonderful project for Walter to sink his teeth into.
Our next stop is the Vennix pumping station, managed by the Hunze en Aa’s Water Board. A canal was dug to transport water from the IJsselmeer to the Veenkoloniën to irrigate the crops. This canal features several pumping stations along its route to direct the water, alongside lock gates to manage the height differences.
Following this green experience, we drive along a ten-kilometre stretch of road through what feels like absolute nothingness. I see potatoes, grain, and sugar beet. Then more potatoes, grain, and sugar beet. But no trees, no birds, no houses. Walter is strikingly quiet. I try to make a few remarks, but it is an interminable stretch of road. At the end of the ten kilometres, Walter explains what this road means to him. He wants to make it part of a Groningen camino for reflective tourism. Walking this road is like a meditation—perhaps even an ordeal of endurance to reach the end. It forces you back on yourself. I can appreciate that, even though we travelled it by car (thankfully). On the way back, we do spot a swallow and a heron, but otherwise, there is no sign of life or biodiversity due to the heavy spraying of crops in the area. No fish in the water, no dragonflies on the reeds. In fact, no reeds at all.
Between wooded heritage and the disappearing heathland
Next, we arrive in Ter Apel at the Ter Apel Monastery Museum. The shift in the landscape is remarkable: where there were once vast open plains of crops, we are now in a densely wooded area. We first enjoy a lovely lunch on the terrace of the adjacent Hotel Boschhuis overlooking the stunning monastery building before heading inside. By chance, there is an exhibition of the renowned Groningen painter Henk Helmantel, of whom Walter is a fan. We admire his beautiful paintings while exploring the inside of the 1495 monastery, complete with medieval wall paintings and exquisite wood carvings in the pews. A notable historical feature of Groningen is that it was once home to numerous monasteries. Today, you can still follow monastery walking or cycling routes, but none of the monasteries is active anymore. The population of Groningen is predominantly Protestant or non-religious.
After this visit, we drive on to Sellingen, where a beautiful patch of greenery awaits us. I take in the surroundings: mature trees, lovely farmsteads, a winding lane, and gardens bursting with flowers surrounding the houses. This is how all of the Netherlands should live, we conclude. Though perhaps not everyone needs such a large house—maybe subdividing them would work, I reflect, as Walter whisks me off to our next destination.
This time, we walk out onto the heathland. But I notice there is hardly any heather left. Walter explains the dilemma between the wolf and the heathland. With the return of the wolf to the Dutch landscape, shepherd flocks no longer graze on the heath. As a result, grass takes over and tree saplings spring up everywhere. I managed to photograph the last remaining heather bushes, but the purple expanses of spring or autumn are a thing of the past. It makes me realise how unaware we are of the consequences of seemingly small changes: the arrival of the wolf means sheep no longer graze, causing the heath to disappear. What other knock-on effects will this have? And what are the long-term consequences of all the chemicals sprayed onto the fields by farmers? We cannot fully foresee that either. Even the wildflower borders along field margins can prove fatal to bees and other pollinators as they travel from flower to flower.
Why transformation enchants in the Veenkoloniën
In the car, we discuss why farmers don’t switch to different crops if the yields are so low. Walter explains that farmers cannot simply choose: alternative crops are too labour-intensive, and there are strict regulations governing manure application, planting density, and crop rotation limits for potatoes, meaning a farmer cannot easily switch overnight. Nor is it straightforward in practice. A local farmer named Menko (Menko voedt de stad) switched to growing onions, parsley, and split peas. Unfortunately, the supermarket chain was unhappy with the onions because they weren’t packed in neat bags and varied in size. He couldn’t sell the parsley either because it had a few yellow leaves here and there. His split peas were also rejected because they turned out to be wrinkled peas, which required 30 minutes longer to cook. The supermarket chain claimed their customers wouldn’t accept that.
Walter is amazed that the people of the Veenkoloniën aren’t prouder of their region. Their ancestors worked so tirelessly and produced so much value. That is something to be proud of and grateful for. Yet there is little sense of regional identity or charm—the kind of appreciation that Walter feels so deeply during our tour. It is precisely this potential for renewed pride that makes the vision of transition one that enchants in the Veenkoloniën.
In contrast to the agricultural plains, the Groningen flag flies outside almost every house in the wooded area around Sellingen. Are these residents prouder of their region? Are they more content?
This tour of the Veenkoloniën shows me that a major challenge lies ahead for the future: developing new business models for farmers, finding new purposes for the land, adapting as remaining factories phase out, and uplifting a community that feels almost weighed down by hardship. What can a pioneer like Walter do to help? How can we reactivate the local pioneering spirit that their ancestors displayed when cutting peat and transitioning to agriculture? How can we rebuild the connection between farmers and citizens? The land belongs to the farmers, but the landscape belongs to us all.
Walter demonstrates that initiatives don’t need to be grand: sowing a dyke with wildflowers, repurposing a farmstead, or establishing a camino walking route. His plans are concrete and meaningful. I thoroughly enjoyed this day. We finish with dinner together, and after another night in the beautiful bedroom, I will be heading to Erm in Drenthe to visit Wim Heppe.
Het ondergrondse mycelium voor de toekomst
English: scroll down Foto: Carla Pleijers van VakantieAnders en Mirjam Castein, mijn zus waarmee ik op vakantie was. Over droogte, een cacaoceremonie en haalbare dromen Als ik ’s ochtends wakker word en nog even heerlijk in mijn tent kan blijven liggen, open ik de...
De maakbare polder en de ziel van de diamant: Ontmoeting met Daan Schieman in Oosterwold
English: scroll down Na de meanderende beekdalen van de Drentse Aa, arriveer ik in het jongste land van Nederland: Flevoland. Vijf meter onder de zeespiegel, op de zware, ongekend vruchtbare kleibodem van wat ooit de Zuiderzee was, ligt een polder die in krap zeven...
Meanderen en afstemmen op het grotere geheel
English: scroll down Als ik wakker word, hoor ik een specht tikken tegen de boom en ik draai me nog even om. De vogels zijn allang wakker maar wij hoeven pas om 10 uur te vertrekken dus er is nog ruim de tijd om te ontbijten en mijn blog van gisteren door te nemen met...




